DE BOOG uitgeverij
  ... voor eenheid in geloof en leven

Uit Spreken Met God, Deel 10


woensdag 5 augustus 2020

4 augustus. Gedachtenis

11. HEILIGE JEAN-BAPTISTE MARIE VIANNEY
Pastoor van Ars

De heilige Johannes Maria Vianney werd op 8 mei 1786 in de buurt van Lyon geboren. Hij moest vele moeilijkheden overwinnen alvorens hij tot priester gewijd kon worden. Hem werd de parochie van Ars toevertrouwd, waar hij ongeveer 42 jaar bleef. Hij muntte uit in zijn zorg voor de zielen, zijn geest van gebed en versterving, en vooral door zijn onvermoeibare toewijding aan de bediening van het sacrament van boete en verzoening. Hij stierf in het jaar 1859. Door paus Pius xi werd hij in 1929 heilig verklaard en tot universeel patroon van de geestelijkheid uitgeroepen.

-Heilige priesters. Onvergelijkbare waardigheid. Liefde tot het priesterschap. -Priesters zijn noodzakelijk. Gebed en versterving voor de priesters. -In de naam van de Heer begeleidt de priester het leven van de mens. Achting voor hen die ons zoveel hebben gegeven. Sterk vertrouwen op het gebed van de priester.

11.1 Toen Johannes Baptista Maria Vianney naar de kleine parochie te Ars (230 inwoners) gezonden werd, zei de vicaris-generaal van het bisdom tegen hem: «Er is niet veel liefde tot God in die parochie te vinden; die zult ú moeten invoeren.»1 En dàt heeft hij gedaan: in de liefde tot de Heer, die hij in zijn hart droeg, al die boerenlui en talloze andere mensen doen ontbranden. Hij bezat geen grote kennis, geen goede gezondheid en evenmin geld..., maar zijn persoonlijke heiligheid, zijn vereniging met God bewerkte het wonder. Enkele jaren later snelt een grote menigte uit alle streken van Frankrijk naar Ars toe, en soms moeten ze dagen wachten om de pastoor te zien en bij hem te kunnen biechten. Wat deze mensen aantrekt is niet de nieuwsgierigheid naar enkele wonderen die hij verborgen tracht te houden. Het was veeleer het voorgevoel een heilige priester te ontmoeten, «die verwonderde door zijn boetvaardigheid, zo vertrouwelijk omging met God in het gebed, opviel door zijn vrede en nederigheid te midden van populariteit en succes en vooral zo intuïtief de innerlijke gesteltenis van de zielen wist aan te voelen en ze te bevrijden van hun last, vooral in de biechtstoel.»2 De Heer koos «als voorbeeld voor de zielzorgers diegene uit die arm, zwak, weerloos en verachtelijk had kunnen schijnen in de ogen van de mensen (vgl. 1 Kor 1,27-29). God heeft hem begiftigd met zijn beste gaven als leidsman en geneesheer van de zielen.»3

Op een keer vroeg men aan een advocaat uit Lyon die net terugkeerde uit Ars, wat hij daar gezien had. En hij antwoordde: «Ik heb God in een mens gezien.»4 Vandaag moeten we de Heer bidden, dat we ditzelfde van elke priester kunnen zeggen, omwille van zijn heilig leven, zijn eenheid met God, zijn zorg voor de zielen. In het wijdingssacrament wordt de priester tot dienaar van God en uitdeler van zijn schatten gemaakt, zoals de heilige Paulus het noemt.5 Deze schatten zijn: het woord van God in de prediking; het Lichaam en Bloed van Christus dat hij in de heilige mis en bij de communie uitdeelt; en de genade van God in de sacramenten. Aan de priester wordt de goddelijke taak bij uitstek toevertrouwd, «de meest goddelijke van de goddelijke werken», zoals een oude kerkvader leert, namelijk het heil van de zielen. Hij wordt tot boodschapper, middelaar, tussen God en de mensen. Tussen God die in de hemel is, en de mens die zich nog op doortocht op aarde bevindt; met de ene hand neemt hij de schatten van de goddelijke barmhartigheid, met de andere deelt hij deze edelmoedig uit. Krachtens zijn taak als middelaar deelt de priester in het gezag waarmee Christus zijn Lichaam vormt, heiligt en leidt6, voltrekt hij het sacrament van de eucharistie, de meest heilige handeling die de mensen op aarde kunnen verrichten.

Wat willen, wat verwachten de mensen van de priester? «Wij durven te beweren -merkt Mgr. Alvaro del Portillo op- dat zij, ook al kunnen zij die noodzaak en verwachting vaak niet bewust beredeneren, een priester nodig hebben, een man die zich voor hen uitleeft door hun de horizon van de ziel open te leggen, die onophoudelijk zijn ambt vervult, die een groot hart bezit, dat in staat is iedereen te begrijpen en lief te hebben, ook al ziet hij zich misschien soms niet beantwoord; een man die met eenvoud en vreugde, te pas en zelfs te onpas (vgl. 2 Tim 4,2) datgene geeft wat alleen hij kan geven: de rijkdom van genade, van goddelijke innigheid, die God door middel van hem aan de mensen wil uitdelen.»7

Vandaag is een bijzonder geschikte dag om door bemiddeling van de heilige pastoor van Ars veel te bidden voor de heiligheid van de priesters, met name voor hen die op een of andere wijze door God zijn aangesteld om ons op onze weg naar Hem te helpen.

11.2 Heel vaak zei de pastoor van Ars: «Wat is het toch groots om priester te zijn! Als ik dat helemaal begreep, zou ik sterven.»8 God roept sommige mannen tot deze hoge waardigheid om hun broeders te dienen. Toch «wordt de heilsopdracht van de Kerk in de wereld niet alleen door de bedienaren op grond van het wijdingssacrament ten uitvoer gebracht, maar ook door alle lekengelovigen»9, ieder door zijn eigen roeping en in zijn werkzaamheid in de wereld, door als brandende toortsen10 in de nacht te zijn, want de leken «delen krachtens hun status als gedoopten en hun specifieke roeping in de priesterlijke, profetische en koninklijke bediening van Christus, ieder in zijn eigen mate.»11 Hun deelneming in het leven van de Kerk bestaat geenszins in het helpen van de geestelijkheid, ook al zullen zij dat somtijds doen. Het specifieke terrein van de leek is niet de sacristie, maar het gezin, de onderneming, de mode, de sport..., die zij, in hun eigen orde, tot God trachten te brengen. De opdracht van de leken moet hen ertoe aanzetten het gezin, het werk en de maatschappelijke orde te doordrenken met die christelijke beginselen die haar verheffen en menselijker maken: de waardigheid en eerste plaats van de menselijke persoon, de maatschappelijke solidariteit, de heiligheid van het huwelijk, de vrijheid in verantwoordelijkheid, de liefde voor de waarheid, de eerbiediging van de rechtvaardigheid op alle niveaus, de geest van dienstbaarheid, de beoefening van het wederzijds begrip en van de liefde...

Maar opdat zij te midden van de wereld «deze profetische, priesterlijke en koninklijke rol kunnen vervullen, hebben de gedoopten het ambtelijk priesterschap nodig, waardoor hun op bevoorrechte en tastbare wijze de gave wordt verleend van het goddelijk leven, dat zij ontvangen van Christus, het hoofd van het gehele Lichaam. Hoe christelijker het volk is en hoe meer het zich bewust wordt van zijn waardigheid en zijn actieve rol binnen de Kerk, des te meer zal het de behoefte voelen aan priesters die waarlijk priesters zijn.»12

Vandaag bidden wij de Heer om heilige, beminnelijke, geleerde priesters, die de zielen behandelen als kostbare juwelen van Jezus Christus, die weten af te zien van hun persoonlijke plannen uit liefde voor de anderen, die een diepe liefde koesteren voor de heilige mis, het voornaamste doel van hun wijding en het middelpunt van heel hun dagelijks leven; priesters die hun beste pastorale inspanningen «zoals bij de pastoor van Ars, op de uitdrukkelijke verkondiging van het geloof, van de vergeving, van de eucharistie»13 richten.

11.3 God heeft de priester dicht bij het leven van de mens geplaatst om uitdeler te zijn van de goddelijke barmhartigheid. barmhartigheid. «Nauwelijks is de mens in dit leven gekomen, of de priester herschept hem in het doopsel, verleent hem een edeler, kostbaarder leven, het bovennatuurlijke leven, en maakt hem tot kind van God en van de Kerk van Jezus Christus.

»Om hem te sterken en hem meer geschikt te maken, om edelmoedig de geestelijke gevechten te leveren, maakt ook een priester, bekleed met bijzondere waardigheid, hem tot soldaat van Christus door middel van het vormsel.

»Wanneer hij, nog maar als kind, in staat is het brood van de engelen, de gave van de hemel, te onderscheiden en naar waarde te schatten, wordt hij door de priester met dit levende en levendmakende voedsel gevoed en gesterkt. Als hij per ongeluk een keer is gevallen, dan tilt de priester hem in naam van God op en verzoent hem met Hem door middel van het sacrament van boete en verzoening. Als God hem roept om een gezin te stichten en met Hem mee te werken aan het doorgeven van het menselijk leven in de wereld en het aantal gelovigen op aarde te vermeerderen, dan staat de priester klaar om zijn huwelijk en zijn edele liefde te zegenen. Wanneer de christen ten slotte, al dicht bij het einde van zijn sterfelijk leven gekomen, kracht en steun nodig heeft om vóór de goddelijke Rechter te verschijnen, dan buigt de bedienaar van Christus zich over de pijnlijke ledematen van de stervenden, troost hen en zuivert hen door de zalving met de heilige olie. Na aldus de christenen gedurende hun aardse pelgrimstocht van het leven begeleid te hebben tot aan de poorten van de eeuwigheid, begeleidt de priester -met de gebeden van de heilige riten waarin de onsterfelijke hoop weerklinkt- eveneens het lichaam tot aan het graf en laat hij ook degenen die reeds in het andere leven delen niet in de steek: eerder integendeel, indien zij boetedoening en verlichting nodig hebben, verlicht hij hen met de troost van de gebeden voor hun zielerust. Vanaf de wieg tot het graf, verder nog, tot in de hemel, is de priester zodoende voor de gelovigen gids, troost, bedienaar van het heil, uitdeler van genade en zegeningen.»14

Het is billijk, dat de gelovigen dagelijks, en heel bijzonder wanneer we het feest van de heilige pastoor van Ars vieren, bidden voor alle priesters, en met name voor hen die Gods opdracht hebben ontvangen hen geestelijk te verzorgen: van wie zij het goud van de goede leer ontvangen, het brood van de engelen en de vergeving van hun zonden. Zoals de H. Jozefmaria Escrivá zei, leren de priesters ons om te gaan met Christus, Hem te ontmoeten in de liefdevolle rechtbank van de boetedoening en in de onbloedige hernieuwing van het offer van Calvarië, in de heilige mis.15

Wij moeten op hun gebeden vertrouwen en hen smeken, dat zij onze noden aanbevelen; wij moeten ons verenigen met hun intenties die gewoonlijk de meest klemmende noden van de Kerk en de zielen opnemen. Ook dienen wij hen te achten en hen met alle genegenheid te bejegenen, «want niemand is zo waarlijk onze naaste als hij die onze wonden heeft genezen. Laten we hem liefhebben en in hem onze Heer zien, en laten we hem beminnen zoals onze naaste.»16 Dàt vragen wij de heilige pastoor van Ars.

-1. F. Trochu, Le Curé d'Ars. -2. Johannes Paulus ii, Brief aan de priesters b.g.v. Witte Donderdag, 16-III-1986, 5. -3. Ibidem. -4. Gecit. door Johannes Paulus i, Toespraak 7-IX-1978. -5. Vgl.1 Kor 4,1. -6. Vgl. Vaticanum ii, Decr. Presbyterorum ordinis, 12. -7. A. del Portillo, Escritos sobre el sacerdocio, Palabra, 6e ed., Madrid 1990, bl. 109-110. -8. H. Jean-Baptiste Marie Vianney, Over God en over ons, Oegstgeest, bl. 59. -9. Johannes Paulus ii, Apost. exhort. Christifideles laici, 30-XI-1988, 23. -10. Vgl. Fil 2,15. -11. Johannes Paulus ii, loc. cit. -12. Idem, Retraite in Ars, 6-X-1986, 4. -13. Ibidem, 14. -14. Pius xi, Enc. Ad catholici sacerdotii, 20-XII-1935. -15. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De liefde tot de Kerk, 45. -16. H. Ambrosius, Tractaat over het evangelie van de heilige Lucas, 7,84.