DE BOOG uitgeverij
  ... voor eenheid in geloof en leven

Uit Spreken Met God, Deel 6


woensdag 5 augustus 2020

Achttiende week. Maandag

31. Christelijk Optimisme

-Realistisch zijn is altijd rekenen op de genade van God. -Het optimisme van een christen is het gevolg van geloof. -Ons optimisme is geworteld in de gemeenschap van de heiligen.

31.1 Een grote menigte volgt Jezus naar de woestijn.1 Zij volgen Hem zonder te letten op afstand, hitte of kou, omdat hun noden groot zijn en zij aanvoelen dat zij welkom zijn. Zij luisteren zó aandachtig naar die woorden die aan hun leven betekenis geven, dat zij zelfs de noodzakelijkste dingen vergeten: zij hebben geen voedsel meegebracht en er is geen gelegenheid om het te kopen. Dit probleem schijnt noch hun noch Jezus te deren. Maar als de leerlingen de situatie bemerken gaan zij naar de Meester en zeggen: Deze plek is eenzaam en het is al laat op de dag. Stuur dus het volk weg om in de dorpen eten te gaan kopen. Dit is voor iedereen duidelijk. Maar Jezus kent een hogere werkelijkheid, met mogelijkheden die zelfs zijn intiemste leerlingen niet kennen. En dus antwoordt Hij hun: Het is niet nodig dat zij weggaan, geeft gij hun maar te eten. De leerlingen, die zich scherp bewust zijn van hun gebrek aan voorraden, antwoorden: Wij hebben hier maar vijf broden en twee vissen.

De leerlingen zien de 'objectieve' werkelijkheid. Zij 'weten' dat deze kleine hoeveelheid voedsel niet voldoende zal zijn voor die menigte. Dit is wat ons kan overkomen als we de inventaris opmaken van onze eigen krachten en mogelijkheden. De moeilijkheden kunnen te groot voor onze krachten lijken. 'Objectiviteit' kan ons ontmoedigen en tot pessimisme leiden. Het kan ons ertoe brengen het radicale optimisme te vergeten dat essentieel onderdeel is van de christelijke roeping. Zoals wijdverbreide wijsheid het zegt:  Hij weet niet hoe hij moet optellen omdat hij de belangrijkste factor achterwege laat. De apostelen maakten een zeer nauwkeurige optelling van hun hulpbronnen. Zij telden het precieze aantal beschikbare broden en vissen. Maar zij vergaten te bedenken dat Jezus aan hun kant stond. En dit feit verandert de situatie totaal. De 'echte' werkelijkheid is iets anders als de 'objectieve' werkelijkheid. «Het is goed -en zelfs plicht- dat je in je apostolaat rekening houdt met je aardse mogelijkheden: 2 + 2 = 4. Maar vergeet nooit, dat je tot je geluk bovendien nog met een andere factor rekening moet houden: God + 2 + 2...»2 Deze werkelijkheid verwaarlozen is de situatie verkeerd inschatten. Om bovennatuurlijk realistisch te zijn, moeten wij op de genade van God, dat een onontkoombaar feit is, rekenen.

Christelijk optimisme is geworteld in God die tegen ons zegt: Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.3 Met Hem kunnen we alles doen. Wij zegevieren, zelfs wanneer wij zijn verslagen. Dit is het optimisme dat zo karakteristiek is voor de heiligen. De heilige Theresia van Ávila herhaalde vaak, met haar goede luim en bovennatuurlijke geest: «Theresia kan niets alleen doen. Theresia en een stuiver, minder dan niets. Maar Theresia, een stuiver en God kunnen alles.»4 Het is met ons hetzelfde. «Gooi die wanhoop, die uit de kennis van je nietswaardigheid voortkomt, van je af. Het is waar: economisch gezien ben je een nul; naar je maatschappelijk aanzien gemeten ben je ook een nul; hetzelfde geldt voor je deugden en capaciteiten. Maar links van al die nullen staat Christus. En wat een onmeetbaar groot getal blijkt het te worden!»5 Hoe kan deze gewaarwording ons totale uitzicht veranderen als wij ons in moeilijke situaties bevinden!

31.2 Christelijk optimisme is een gevolg van geloof, niet van omstandigheden. De christen weet dat de Heer het beste met hem voor heeft. De Heer weet hoe vruchten te verkrijgen van zelfs een openlijke mislukking. Tegelijkertijd vraagt Hij ons alle menselijke middelen die ons ter beschikking staan te gebruiken, geen steen ongekeerd te laten. Wij moeten rekenen op de vijf broden en de twee vissen. Op zichzelf zullen ze niet veel te eten geven voor zoveel hongerige mensen op het einde van een lange dag, maar niettemin spelen zij een onmisbare rol in de uitvoering van het wonder. De Heer zorgt ervoor dat mislukkingen in het apostolaat -iemand reageert niet, iemand keert ons de rug toe enz.- dienen om ons te heiligen: niets zal verloren gaan. Wat nooit enige vrucht kan geven is het niets doen, zich verontschuldigen, toegeeflijk zijn in een vijandige omgeving.

De Heer wil dat wij een goed gebruik maken van onze broden en vissen, terwijl wij met zuivere bedoeling ons vertrouwen in Hem stellen. Soms zal het resultaat onmiddellijk komen, soms niet, maar altijd op de manier en op het ogenblik die de Heer wil. Eén ding staat buiten twijfel: vruchten zullen er altijd komen. Wij moeten ons ervan overtuigen dat wij niets zijn, en dat wij niets kunnen zonder Jezus aan onze kant. 6

Dit optimisme wordt sterker in het gebed. «Het christelijk optimisme is geen naïef optimisme en evenmin een menselijk vertrouwen dat alles wel goed zal komen. Het is een optimisme, dat zijn wortels heeft in het besef van de vrijheid en in de zekerheid van de macht van de genade; een optimisme, dat ons ertoe brengt veeleisend te zijn tegenover onszelf en ervoor te zorgen op elk moment te beantwoorden aan de oproepen van God.»7 Het is niet de houding van de egoïst die alleen zijn eigen rust zoekt, die zijn ogen voor de werkelijkheid sluit en zegt: 'Alles zal ten slotte op zijn pootjes terecht komen'. Hij gebruikt dat als een excuus om niet lastig gevallen te worden. Hij ontkent het kwaad om zorgen en verantwoordelijkheid te vermijden. Maar het radicale optimisme van wie Christus van nabij volgt, belet een juiste inschatting van de werkelijkheid niet. Integendeel; de christen kan de hele waarheid onder ogen zien zonder erdoor ontmoedigd te raken. De christen weet dat zijn Vader God hem nooit zal verlaten. Hij gelooft dat overvloedige vruchten zal worden geoogst in die akker -die omstandigheden, die vrienden- waarvan het leek dat er alleen onkruid kon groeien. De christen heeft vertrouwen dat «de goede werken nooit vernietigd zullen worden, en dat de graankorrel moet sterven onder de grond om vrucht voort te brengen. De christen weet dat het offer nooit tevergeefs is.»8

31.3 Ronald Knox wijst erop dat Jezus zijn wonder niet zomaar voor iedereen deed, maar eerder voor mensen die Hem al dagen lang hadden gevolgd, mensen die serieus naar Hem hadden gezocht.9 De menigte is een voorafbeelding van de Kerk. Die vijfduizend, gezeten op de heuvelrug, waren verenigd als volgelingen van Christus. Zij voedden zich met hetzelfde brood, de voorafschaduwing van de heilige eucharistie, die uit de handen van Christus kwam. «Hoe natuurlijk dient een gemeenschappelijke maaltijd als teken van broederlijkheid; hoe gemakkelijk kan een samengeraapte groep gasten niet met elkaar overweg als je ze mee uit neemt op een picknick in de open lucht! We kunnen ons inbeelden wat later zou gebeuren, als twee van die vijfduizend per toeval elkaar ontmoeten: 'Ja, herinner je je niet, ik zat ongeveer zeven of acht plaatsen van je vandaan, en Petrus -of Johannes, of Jakob, of Judas- kwam rond met de korst brood die er uitzag of het nooit voor meer dan twee mensen genoeg zou zijn; wij beiden, zo scheen het, waren tot hongeren veroordeeld, nietwaar? En toen hij op het einde van de rij was, was de broodkorst er nog steeds'.»10

Wij kunnen ook aan eenzelfde tafel, aan eenzelfde feestmaal aanzitten. Wij kunnen het Brood, waarin Christus tot ons komt, en dat zonder ophouden wordt vermenigvuldigd, ontvangen. Diegenen die Christus volgen worden door een zeer sterke band verenigd. «Herken in jezelf een lidmaat, een tak van Christus -het lichaam, de wijnstok- levend, geënt en vast gegroeid, gevoed door zijn kracht en genade.»11 De gemeenschap van de heiligen leert ons dat wij allen één Lichaam in Christus vormen en dat wij elkaar op een heel doeltreffende manier kunnen helpen. Ergens, juist op dit ogenblik, bidt iemand voor ons, helpt iemand ons met geheiligd werk, met gebed, met opgedragen lijden. Wij zijn nooit alleen.

De gemeenschap van de heiligen dient als voortdurende brandstof voor ons optimisme, omdat wij altijd kunnen rekenen op de geheimvolle maar zeer wezenlijke hulp van diegenen die deel hebben aan hetzelfde Brood.

Allen aten tot zij verzadigd waren en aan overgebleven brokken haalde men nog twaalf volle korven op. Het waren ongeveer vijfduizend mannen die hadden gegeten, vrouwen en kinderen niet meegerekend. Wij worden door de edelmoedigheid van Christus ertoe gebracht om met vertrouwen een beroep op Hem te doen. Ook wij hebben veel dagen met Hem doorgebracht. «Vraag het Hem onbevreesd, dring aan. Neem je toevlucht tot het voorval van de broodvermenigvuldiging dat ons in het evangelie overgeleverd wordt. -Zie met hoeveel ruimhartigheid Hij de apostelen antwoordt: Hoeveel broden heb je, vijf... Wat wil je, dat Ik doe... En Hij geeft er zes, tien, duizend... Waarom? -Omdat Christus met goddelijke wijsheid onze behoeften ziet, en met zijn almacht onze verlangens ruimschoots kan en zal vervullen. De blik van de Heer reikt ver over onze armoedige logica heen en Hij is grenzeloos edelmoedig.»12

Hij zal weer opnieuw wonderen verrichten zo gauw wij het weinige dat wij hebben ter beschikking van Hem stellen. Hij denkt in termen die onze armzalige menselijke berekeningen ver overtreffen. Wat een schande als wij ooit die vijf broden en twee vissen niet zouden opgeven waarmee de Heer gemakkelijk wonderen zou verrichten!

-1. Vgl. Mt 14,13-21. -2. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 471. -3. Vgl. Mt 28,28. -4. A. Ruiz, Anécdotas teresianas, Burgos, 1982. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 473. -6. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I-II, q68, a2, ad 3. -7. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 659. -8. G. Chevrot, Le puits de Sychar. -9. Vgl. R.A. Knox, A Retreat for Priests. -10. Ibidem. -11. B. Baur, Still mit Gott. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 341.