DE BOOG uitgeverij
  ... voor eenheid in geloof en leven

Uit Spreken Met God, Deel 6


dinsdag 4 augustus 2020

Achttiende zondag door het jaar (A)

28. De Messiaanse weldaden

-De broodvermenigvuldiging. Jezus bekommert zich om zijn volgelingen. -Dit wonder is een voorafbeelding van de heilige eucharistie, waarin de Heer zichzelf als voedsel geeft. -In de communie moeten wij verlangend naar de Heer uitzien. Wij behoren ons voor iedere communie voor te bereiden alsof het de enige in ons leven zou zijn.

28.1 Waarom geeft gij uw geld voor iets dat geen brood is? Waarom geeft gij uw arbeid voor iets wat niet voedt? Luistert, luistert naar Mij: dan eet gij wat goed is, dan verzadigt gij u aan heerlijke spijs.1

Het evangelie van vandaag verhaalt hoe de Heer alleen vertrok op een boot naar een eenzame plaats.2 Maar toen het volk ontdekte waar Hij naar toe ging, kwamen zij Hem uit hun steden te voet achterna. Bij het van boord gaan zag Hij een grote menigte voor zich. Hij kreeg diep medelijden met hen en genas hun zieken. Hij genas hen zonder te zijn gevraagd. Per slot van rekening, het feit dat zij van zover waren gekomen en hun zieken hadden meegebracht, was voldoende bewijs van een groot geloof. Met betrekking tot deze passage wijst de heilige Marcus erop, dat Jezus heel veel tijd doorbracht met deze menigte te onderrichten want zij waren als schapen zonder herder.3 Zo werd het heel laat. De leerlingen waren een beetje ongerust bij de gedachte op een verlaten plaats te zijn op zo'n laat uur. Zij drongen er bij de Meester op aan: Stuur het volk weg om in de dorpen eten te gaan kopen. Jezus verraste hen met zijn antwoord: Geeft gij hun maar te eten. De apostelen gehoorzaamden. Zij deden wat zij konden met vijf broden en twee vissen. Het is te merken dat onder de aanwezigen ongeveer vijfduizend mannen waren, vrouwen en kinderen niet meegerekend. Jezus doet het wonder met een paar broden en vissen, en de gehoorzaamheid van zijn volgelingen.

Na de menigte gezegd te hebben op het gras te gaan zitten, nam Jezus de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, en nadat Hij de zegen had uitgesproken, brak Hij de broden die Hij aan zijn leerlingen gaf en de leerlingen gaven ze weer aan het volk. Allen aten tot zij verzadigd waren. De Heer zorgt voor de zijnen, ook wat materiële noden betreft, maar Hij rekent op onze medewerking, zelfs als onze bijdrage van betrekkelijk ondergeschikt belang zal zijn. «Als jij Hem, al gaat het maar om een kleinigheid, helpt zoals de apostelen, is Hij bereid wonderen te bewerkstelligen, broden te vermenigvuldigen, de wil van velen te veranderen, de meest verduisterde breinen te verlichten en -door een buitengewone genade- te bewerkstelligen, dat een rechtschapenheid die zij nooit gekend hadden, tot hun mogelijkheden gaat behoren.»4 Dan zullen wij beter begrijpen wat de heilige Paulus schrijft in de tweede lezing van vandaag: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, vervolging, honger, naaktheid, levensgevaar of het zwaard? Over dit alles zegevieren wij glansrijk, dank zij Hem die ons heeft liefgehad. Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal, en geen macht in de hoogte en in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer.5

Niets kan ons scheiden van Christus, onze Leraar, noch tegenslagen in iemands persoonlijk leven, grote en kleine mislukkingen, lijden, ziekte... noch moeilijkheden in het apostolaat, weerstand van sommigen tegen de leer van Christus, vijandigheid van een omgeving die wegvlucht van het Kruis en het offer... In Christus zullen wij altijd onze sterkte vinden.

28.2 Bij de wonderbare broodvermenigvuldiging maakt Christus van dezelfde woorden en houding gebruik als bij de instelling van de eucharistie.6 Dit wonder is niet alleen een uiting van goddelijke barmhartigheid; het is ook een voorafbeelding van de heilige eucharistie7, die de Heer in de synagoge van Kafarnaüm aankondigt.8 Dit is de interpretatie die veel kerkvaders eraan geven. De liturgie van de mis brengt het gebaar van de Heer in herinnering wanneer Hij zijn ogen ten hemel opslaat. We herinneren ons dat wonder als wij ons op een zelfs nog groter wonder voorbereiden, dat van de verandering van brood in zijn Lichaam, dat moet worden geofferd als geestelijk voedsel voor alle mensen.

Het wonder aan de oever van het meer toonde aan de mensen de macht en liefde van Jezus. Die macht en liefde zijn wat ons in staat stelt het Lichaam van Christus aan te treffen onder de sacramentele gedaanten. Het is de eucharistie die door de eeuwen heen de menigten van gelovigen kan voeden. Zoals de heilige Thomas het in de sequentie stelde die hij schreef voor de mis van Sacramentsdag: Sumit unus, sumunt mille... Zij het dat één of duizend ontvangen, een ieder ontvangt hetzelfde als de ander.

«Hij kan niet uitgeput raken... Zo verkrijgt het wonder zijn betekenis, zonder iets van zijn werkelijkheid te verliezen. Het is op zichzelf verwonderlijk, maar het eindigt zelfs meer wonderbaarlijk dan verwacht. Het roept het beeld op van de Goede Herder die zijn schapen voedt. Het kan worden gezien als een voorafbeelding van de nieuwe orde. Enorme menigten zullen komen deelnemen aan het eucharistisch feest, waar zij op wonderbaarlijke wijze gevoed zullen worden met onvoorstelbaar voortreffelijk voedsel.»9

De menigte die de Heer opzoekt, legt getuigenis af van de sterke indruk die zijn Persoon op mensen maakt. Velen gaan zover Jezus te volgen in de woestijn zelf, erg ver verwijderd van de hoofdwegen en steden. Zij reizen zonder proviand. In hun haast een glimp van de Heer op te vangen willen zij geen tijd verliezen. Dit is voor ons een goed voorbeeld wanneer problemen rijzen om de communie te ontvangen of het heilig Sacrament te bezoeken. Een ontmoeting met de Meester is elk offer waard.

De heilige Johannes vermeldt dat de menigte zeer opgewonden raakte als resultaat van het wonder.10 «Als die mannen al in vuur en vlam raakten en U toejuichten voor een stuk brood -ook al was het wonder van de broodvermenigvuldiging nog zo groot- wat moeten wij dan doen voor de vele gaven die Gij ons verleend hebt, en met name vanwege uw overgave zonder terughoudendheid in de Eucharistie.»11

In de heilige communie ontvangen wij Jezus, de Zoon van Maria, Degene die dat grote wonder vele jaren geleden deed. «In de Hostie bezitten wij de Christus van alle geheimen van de Verlossing -de Christus van Maria Magdalena, van de Verloren Zoon, van de Samaritaanse vrouw, de Christus opgestaan uit de dood, gezeten aan de rechterhand van de Vader... De wonderbare aanwezigheid van Christus in ons midden zou ons leven volledig moeten doen veranderen... Hij is hier met ons -in iedere stad, in elk dorp...»12 Hij wacht op ons. Hij mist ons wanneer we verlaat zijn.

28.3 De ogen van allen zien hoopvol naar U, Gij geeft hun te rechter tijd spijs. Gij opent uw hand voor alles wat leeft13 zeggen we in de tussenzang van vandaag.

Jezus, werkelijk aanwezig in de heilige eucharistie, geeft dit sacrament een oneindige, bovennatuurlijke doeltreffendheid. Wanneer wij onze liefde voor iemand willen uitdrukken, geven we cadeautjes, we verlenen gunsten, we maken ons beschikbaar voor de persoon in kwestie... maar we stuiten altijd op een beperking, namelijk, dat wij onszelf niet kunnen wegschenken. Jezus Christus kan dat doen. Hij geeft ons zijn eigen Ik. En wij kunnen ons met Hem verenigen. Wij kunnen ons met Hem vereenzelvigen. En wij kunnen Hem elke dag treffen in de heilige communie. Hij wacht op ons. Hij wacht daar op elk van ons. Hij wacht niet op ons om dingen te vragen. Hij geneest ons van onze zwakheden. Hij beschermt ons tegen gevaar, tegen bekoringen die ons van Hem zouden scheiden. Hij beurt ons op. Elke communie is een bron van genade, nieuw licht en een nieuwe impuls die ons kracht geeft om ons dagelijks leven met menselijke elegantie en bovennatuurlijke visie te leiden.

Hoeveel wij deel hebben aan deze weldaden hangt in grote mate af van de kwaliteit van onze innerlijke gesteldheid. De sacramenten «hebben meer effect naarmate de gesteldheid van de ontvanger beter is.»14 Wij verbeteren onze instelling, ons verlangen naar grotere heiligheid, vooral door goed te biechten. De biecht zal onze eucharistische vroomheid doen groeien. Zoals paus Johannes Paulus ii heeft gezegd: «De devotie tot de eucharistie brengt je nog dichter bij de Heer en zal je vragen goed gebruik te maken van het sacrament van de verzoening, dat ons tot de eucharistie leidt, precies zo als de eucharistie ons naar de biecht leidt.»15 Beide sacramenten helpen de ziel verfijnder, verzorgder en zuiverder lief te hebben.

Als het moment van de communie nadert, moet ons verlangen tot eerherstel, tot meer geloof en liefde, vuriger worden. «Heb jij wel eens een keer bedacht, hoe jij je zou voorbereiden op het ontvangen van de Heer, als jij maar een enkele keer in je leven te communie zou kunnen gaan? -Laten wij God danken voor het gemak waarmee wij tot Hem kunnen komen, maar... wij dienen Hem te bedanken door ons beter voor te bereiden om Hem te ontvangen.»16 Eens zal het onze laatste keer zijn. Spoedig daarna zullen wij Jezus ontmoeten van aangezicht tot aangezicht, de Heer met wie wij sacramenteel verenigd zijn geweest. Wat zullen we blij zijn met het geloof en de liefde die we voor Hem hebben gehad! Met de woorden van de liturgie vragen wij Hem: Heer, blijf met uw zorg allen omringen die Gij door uw hemelse gaven vernieuwt. Wees ons altijd met uw hulp nabij en geef dat wij de eeuwige verlossing waardig worden.17

-1. Jes 55,2-3. -2. Mt 14,13-21. -3. Mc 6,33-44. -4. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 675. -5. Rom 8,35,37-39. -6.Vgl. Mt 26,26; Mc 14,22; Lc 22,19; 1 Kor 11,25. -7. Vgl. The Navarre Bible, notities bij Joh 6,11 en Mc 6,41. -8. Joh 6,26-59. -9. M.J. Indart, Jesús en su mundo, Barcelona, 1963. -10. Joh 6,14. -11. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 304. -12. M.M. Philipon, Les sacrements dans la vie chrétienne. -13. Ps 144,15-16. -14. H. Pius x, Decr. Sacra Tridentina Synodus, 20 december 1905. -15. Johannes Paulus ii, Toespraak, 31 oktober 1982. -16. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 828. -17. Gebed na de communie.